Kennismaking

Ze waren beneden weer vaag aan het feesten,
Ik weet niet waarom.
De meesten liepen zich traag te bedrinken
En zagen eruit als proefpersonen
Zonder werk, ze gedroegen zich donzig.

Ze roken naar vers lauw vlees te vroeg uit handen
Gegeven door slonzen van moeders.
En niemand hield zijn gezicht voor zichzelf.
En allemaal klonken ze bloter omhoog
Dan hun eerste bedoeling.

Ze gingen door kamers en gangen dansend op zoek
Naar hun bloedvorm.
Ze tasten ook hier in het duister van ons.
Hun romige glimlach trok strak als fluweel
Van gemaskerde messen.

Wij beiden hingen ons levensgevaarlijk gearmd
Over de leuning te verdiepen in de dampkring
Van kaarslicht, rock-‘n-roll en blowers.
Wij hoorden soms ouders vliegensvlug doodgaan
In roestende dorpen.

Wie zou ik zijn als jij mij niet had vastgenomen
Halverwege die draaiende trap in de schemer?
En zou ik hier wel zijn vandaag
Als deze hand daarboven niet klem was geraakt
In je hand?

Ik ben de vlezige letter

Velen zijn gehuisvest
In een slepend huwelijk
Slapend ten onder gegaan.
Maar ik heb jou en jij
Hebt mij van kindsbeen af
Getrouwd, je doet dat nog.
Ik ben de vlezige letter
Van je wet, jij buigt je
Over ons, ik luister.

Ik onderga je, nooit
Is heel die natte seks
Van onze gesprekken tot rust
Gekomen in mij – ik ben
Je bed en dans op mijn poten
Je liefde de lucht in en hoger.

Hoger, hoger, hoger
Hemel ik jou op
Vanuit mijn laagte, mijn afgrond
Van wolken, mijn draaikolk van botten.
De meesten keren zich af
Van mijn leegte met leegte verkerend
In leegte, ze zien ons niet staan.
Maar ik heb jou en jij
Hebt mij van kindsbeen af.

Noordkant

Als zij thuis is kan ik hier het zuiden horen.
Zij is het licht dat mij zijn kern te eten geeft
En straalt tot in de koudste hoeken van mijn leven.
Alle warmte die ik ben komt hier van haar.

Dat ooit een mens mij zo brutaal, zo helemaal
Heeft aangekeken, met een blauw dat ging en gaat
Top op het botste van mijn mannelijke leegte,
Dat ooit twee handen hier zo gruwelijk intiem

Mijn bloed gingen betasten, elke blote zenuw
Van het kind dat er onvindbaar in mij sliep,
Dat doet mijn oude dood nog pijn, dat maakt mij ziek
Van geluk dat ik met haar niet delen kan.

Als zij weg is blijf ik achter met de schaamte
Van de jongen die zijn moeder wil bezitten, hurk ik
Neer onder de rok van haar afwezigheid en neurie
Onverstaanbaar de zoete ellende van mijn geboorte.

Heimwee naar de dag voordat jij kwam

Ik was Abba al voorbij maar Abba haalde mij
in het was een jonge dag de dag voordat jij kwam
het was zo’n dag dat iedereen je aankijkt en gestalte neemt
en: bewogen de gordijnen in de deur er was geen wind
knikkend zakte iets opzij een vloed een flakkering van licht
in het licht een zingend kleuren van de kleuren naar zichzelf
het was d dag voordat jij kwam ik heb gewoon ontbeten
denk ik en ik las de krant vermoed ik op mijn werk
zo zal ik ook geluncht en weer teruggelopen naar de tram
de sleutel in het slot no sense of living without aim
maar al die opkomst in het niets de dag voordat jij kwam.

Een bittere navel

Onder de hoede van bergwind en God
droogt de oogst in de ark van Soajo, plooit
het water haar loop naar de steen.

Uitzicht op zoveel verbond klit ons
aaneen; het huis en het bed
staan gegrond op de rots.

Op het helwit ligt gitzwart
je schaduw gemorst. Je geurt
meer naar lichaam dan geest.

Onder het raam in een andere
hitte scheurt de haan éénmaal
de stilte aan rafels, klooit
de ram met de ooi.

Donker je haar en bitter je navel.

Dit moment

Er is niets voor te stellen mooier dan
een vrouw die in het strijkend avondlicht
een tuin in loopt, het waait, het blad van
de kastanje gaat tekeer, ze zoekt naar
bloemen, snoeiend, alles als weleer.
Daar bukt ze, rustig buiten elke tijd,
verbonden met haar wereld, ook de mijne.
Ik zie het aan in dit moment en wens
dat ondanks ons verstrijken het beklijft.

Ouder worden

Wie plotseling ervaart dat hij de geur
niet meer ruikt van haar jas, de glans
van haar haar niet meer ziet, hoe smal
haar handen, aarzelend haar mond,

die weet: wij kunnen niets meer dan
alleen maar ouder worden, elk voor zich.

Sterven van steeds meer dorst,
leven met steeds minder water.

Een goed huwelijk

Een goed huwelijk is meer dan alleen
stil en ongedwongen alles voor elkander doen, zodat
je op den duur elkanders beê voorkomt. Nee.

Af en toe moet je ook eens communiceren
over de dingen waar het werkelijk op aan komt in
dit bestaan: brood voor het hart, van mens tot mens

Spreken. Vraagt bijvoorbeeld de liefste naar de zin
van dit haar leven, antwoord dan:
‘Dat is een goeie vraag, m’n lief’ – en zwijg.

Oogsttijd

Daar ik een vermorzeld mens ben, liefste
Leg ik me behoedzaam neder
En tracht in het gebied dat ik verken
Geen sporen na te laten.

Mijn razernij lijkt afgelopen,
Ik zwijg, ik leer begrijpen:
Terwijl de zomer in ons loeit
Hoor ik de herfst zijn sikkel slijpen:

Mijn lichaam laaft jou even,
Verdrijft je uit je enge cel
Naar een terrein van louter beven
Dat ook mij verovert in mijn vel,

Intussen gaan maaiers op het veld te keer
En in de schuren houten vlegels:
Op, en neer
Want niets ontkomt de regels.