Feeds:
Berichten
Reacties

Wolvin en wolf in ‘t winters ledikant
als het gehuil des harten krimpt tot fluistren:
uit de angsten ranken namen op in ‘t duister
met in hun wijn de bloedsmaak van het lam.

Als in de tijd van de ouders zijn de nachten,
op ‘t huis gestapeld drukt het tempelpuin;
en waar een lichtstraat door een schaduw suist
bederft de waan tot schimmel op de wanden.

‘t Gedroomde kinderhandje slaapt in ons;
zijn polsje klopt gelijk in nood de borst
der vogels die men treurig vrij moet laten.

Samen, onder de vlag van ‘t beddelaken,
als na een veldslag zijn wij opgebaard.
Maria’s hand rust op mijn grauwend haar.

Bruiloftslied

Mijn gade, het is goed, wij zullen toeven
In een klein stadshuis, ik zal niet vertrekken,
Al bleven mij veel eilanden te ontdekken
Die zich om mijn afwezigheid bedroven.

Niet dicht bij zee, om mijnentwil,
‘t Werd mij ondraaglijk aan den rand
Der ruimt’te rusten, bij de golven stil:
Bewaar mij diep in ‘t binnenland.

‘n Gewezen vestingstad is goed.
De avondwandling doen wij om de wallen,
Zien saam zonsondergangen tegemoet
En kudden keren naar de stallen.

Maar soms speur ik in Westenwinden
De zeeën waarover zij woeien.
Wij gaan naar huis, sluiten de blinden,
Bij ‘t lamplicht tracht je mij te boeien,

Te doen vergeten ‘t varend schip in ‘t duister
Waarop ik iedren nacht kon horen alle
Golven van alle verten samenvallen
Om mijn onrustig hart gerust te ruisen.

Nooit sliep ik beter, dieper dan aan boord.
‘t Schip is de lompe wieg die mijn geslacht,
Tot in Groenland, Spitsbergen, Labrador,
Ver van het vaderland heeft voortgebracht.

Maar het is goed, ik zal met jou, lief, wonen
En zwaar gaan van de zorg om jouw bestaan,
En niet tot de eilanden, als zoveel schone
Slaapsters, mij wachtend diep in de oceaan.

Dan bloeit je vreegelaat in ‘t schemerlicht.
Ik zit bij ‘t uitzichtloze raam te staren
en denk voorbij de vege straatlantaren,

Hoe ‘t ijzingwekkend schone Noorderlicht
Gletsjers beschijnt, die eeuwenoude kusten
Tot diep in ‘t binnenland doet splijten onder
Een ongehoord en nachtenlang gedonder…
Jij komt en kust mij en wil met mij rusten,

Je late’ omhelzen in den veilgen nacht,
In ‘t stille huis dat je zelf hebt gekozen
Voor ‘t samenleven en gestaag liefkozen.
Ach, waarom dit en niet de overmacht

Van ‘t lot, dat zwervend zijn gebied vergroot,
Zeilend op bron en mondingloze stromen,
Waar ‘t leven oplost tot een ruimschoots
dromen,
En als vanzelve voortvloeit naar den dood?

Maar het is goed, in liefdes naam
Heb je gekozen en hebt mij vertrouwd.
Boven groot zelfverlies, klein zelfbehoud,
Blijven wij saam!

Ballade de tout mon coeur

Denk ik aan ‘t glas waaruit ik met u dronk
Eer het uw mond ontzonk,
Waarop de goede spreuk geschreven stond:
De tout mon coeur.
Dan denk ik weer aan wat mij werd ontzegd
Toen gij zijt in het diepe graf gelegd,
Die met uw laatsten adem hebt gezegd:
De tout mon coeur.
Zie ik de bloem, gestorven in het gras
Die  deze lente nog uw vreugde was
Dan denk ik weer hoe moe gij hebt gezegd:
De tout mon coeur.
Hoor ik deur, die kraakt in winternacht,
Dan staat het hart stil, dat u toch verwacht,
Ja, iedere nacht verwacht
De tout mon coeur.
Al is er niets, niets dan de winternacht,
Hoe hoor ik toch die zachte woorden weer,
Al woedt de wind, al slaat de regen neer
De tout mon coeur.

‘k Wilde mijn werk doen in mijn eenzaamheid
En u die verre zijt
Als grafschrift geven wat gij hebt gezegd:
De tout mon coeur.
Dat was uw vraag, eer gij werd neergelegd
In dat wit bed, om niet weer op te staan,
Waar ik het kruis heb om uw hals gedaan,
De tout mon coeur.
En op uw haar mijn handen heb gelegd
Die nacht, dat ik voor ‘t laatst u heb verstaan
Toen gij mij hebt gezegd:
De tout mon coeur.

Envoy, à Dieu:
Prince, dit was mijn troost, mijn toeverlaat
Dat zij gezegd had op dien avond laat:
De tout mon coeur.

Maar dézen nacht hebt Gij mij op doen staan
En mij die woorden waarlijk doen verstaan:
De tout mon coeur.
‘t Was niet aan mij, het was aan U gezegd:
Ook deze troost was mij niet weggelegd;
Nu rest mij niets, tot ik eens zeg: Seigneur…
De tout mon coeur.

De stervende geliefden

Laten wij dit zacht zeggen: dat wij allen
eens als een ritsling in den schemer worden;
zij, die zich nu de lendenen omgorden,

zullen eens deinzen, wankelen en vallen.

En waar is troost, dan in vermoeid vergeten,
in zacht bedwelmen en de zoete logen
der glimlach en der halfgeloken ogen
van wie zich in elkanders armen weten?

En stiller wordt het om hen heen, en duister,
en door bladen ristlen om hun haren;
en als een ritseling van najaarsblaren
is tussen hen een aarzelend gefluister

van woorden, die nog tussen wake’en dromen
als late vlokken sneeuw neerdwarlen bleven -
van woorden, die verdwaalden uit het leven
en alleen zachtheid hebben meegenomen.

En dan het zwijgen en het eindloos trage
dichtgaan der ogen, die elkander vulden;
alleen een glimlach bleef om onvervulde
daden en dagen, die zij nimmer zagen…

Wees stil, wees stil: dit zijn verbannen vorsten,
die hebben troon en ijdle pracht vergeten;
hoe zouden zulken nog ons leven weten
van machteloze vreugde en daadloos dorsten?

Zij zijn hier veilig; hier kan niets hen vinden
dat van het leven is, want beiden deden
van vreugde’s wenkende onbereikbaarheden
afstand, en niets kan meer hun bond ontbinden.

Niets dan de dood, en zie, dit is hun sterven:
dit eindloos langzaam, in vermoeid beminnen
strelend bedwelmen van elkanders zinnen,
dit zacht weggaan van alles zonder derven.

Wees stil, en hoor: reeds roepen hen de bloemen
die wij elkaar een volgend voorjaar schenken;
en later, als wij niet meer aan hen denken,
zullen de beken nog hun namen noemen

murmelend langs ons waar wij zacht ons neder
vlijen in gras en bloemen aan den oever.
O, lief, mijn lief, is één ding vreemder, droever,
voor wie dit weten, dan zacht lenteweder?

Zullen wij dan gedenken, dat wij leven
van wat hun zachte dood heeft onthouden?
dat hoog in ‘t licht de vooglen op de gouden
drang van hun nooitvervulde vreugden zweven?

dat kussen, die zij niet meer geven konden,
dan uit hun lippe’als bloemen tot ons komen,
en hoge wolken zweven, wijl hun dromen
ook nimmer dan in tranen de aarde vonden?

dat uit de tegenspoeden, die hen deerden,
wij dan elkaar met milder weemoed vullen -
dat wij ons uiterst uur beleven zullen,
wellicht, wijl zij eenmaal vergeefs begeerden…

Zullen wij dit gedenken? Zie, zij sterven
sluimerend, en zij zullen niet meer weten,
en wij, verheerlijkt nog, gaan hen vergeten
waar wij naar licht van later dagen zwerven.

Zie, hoe zij vreemd een schoon zijn in het duister:
zij sluimren samen naar den dood, en zonder
rimpeling gaan zij in het grote wonder
over… zie, mijne liefde, mijn vuren luister,

de dorre blaren in hun haren… neem er
zacht een uit weg om aan uw hart te dragen,
en te gedenken in de lentedagen:
wij worden alle’een ritsling in den schemer.

Geloof

Nu alles faalt, heeft dit alleen nog waarde
Voor mij, die nooit één waarheid hebt ontdekt;
Ik zal van U niet scheiden als deze aarde
Mijn pover lichaam dekt.

Ik heb maar één geloof: nooit gaat verloren
Wat eens de liefde zalig heeft bevrucht,
En waar er twee elkander toebehoren
Is zelfs de dood geen vlucht.

Het huwelijk

Toen hij bespeurde hoe de nevel van den tijd
in d’ ogen van zijn vrouw de vonken uit kwam doven,
haar wangen had verweerd, haar voorhoofd had doorkloven
toen wendde hij zich af en vrat zich op van spijt.

Hij vloekte en ging te keer en trok zich bij den baard
en mat haar met den blik, maar kon niet meer begeren,
hij zag de grootse zonde in duivelsplicht verkeren
en hoe zij tot hem opkeek als een stervend paar.

Maar sterven deed zij niet, al zoog zijn helse mond
het merg uit haar gebeente, dat haar toch bleef dragen.
Zij dorst niet spreken meer, niet vragen of niet klagen,
en rilde waar zij stond, maar leefde en bleef gezond.

Hij dacht: ik sla haar dood en steek het huis in brand.
Ik moet de schimmel van mijn stramme voeten wassen
en rennen door het vuur en door het water plassen
tot bij een ander lief in enig ander land.

Maar doodslaan deed hij niet, want tussen droom en daad
staan wetten in den weg en praktische bezwaren,
en ook weemoedigheid, die niemand kan verklaren,
en die des avonds komt, wanneer men slapen gaat.

Zo gingen jaren heen. De kindren werden groot
en zagen dat de man die zij hun vader heetten,
bewegingloos en zwijgend bij het vuur gezeten,
een godvergeten en vervaarlijke’aanblik bood.

Gij wast aan mij gelijk de winde
die wentelt om een koren-aar;
dra zal ik aan mijn wang bevinden
de zoete streling van uw haar.

Dra zult gij ‘t glanzend voorhoofd beuren
tot waar mijn slapen komm’rend staan:
zo ziet men, wild, een winde geuren
naast ‘t wegen rijpen van het graan.

o, ‘k Ben geen sterke; moe-gedragen,
verzwaart vaak de angst mijn levens-last;
maar ‘t is mij waar ‘k uw wasdom schrage,
of blijde een échte steun me omwast.

Zo reikt de liefde, o mijn beminde,
verrijkt me uw liefde in vreze en vaar,
- gelijk een geur’ ge wentel-winde
die sterkt en loont heur koren-aar.

Follow

Get every new post delivered to your Inbox.