Zomeravond

Ik lig al in bed,
maar de zon is nog op
en de merel is zo hard aan ‘t fluiten!
Ik lig al in bed
met de beer en de pop
en verder is iedereen buiten.

De radio speelt
in de kamer benee
of is het hiernaast bij de bakker?
Nou hoor ik een kraan.
O, ze zetten weer thee
en ik ben nog zo vreselijk wakker.

Ik lig al in bed
en ik mag er niet uit,
want de klok heeft al zeven geslagen.
Ik wil een stuk koek
en een halve beschuit,
maar ik durf er niet meer om te vragen.

Ik lig al in bed
en ik speel met mijn teen
en de zon is nog altijd aan ‘t schijnen
En ik vind het gemeen
dat ik nou alleen
in mijn bed lig, met dichte gordijnen.

Aan een klein meisje

Dit is het land, waar grote mensen wonen.
Je hoeft er nog niet in: het is er boos.
Er zijn geen feeën meer, er zijn hormonen,
en altijd is er weer wat anders loos.

En in dit land zijn alle avonturen
hetzelfde, van een man en van een vrouw.
En achter elke muur zijn and’re muren
en nooit een eenhoorn of een bietebauw.

En alle dingen hebben hier twee kanten
en alle teddyberen zijn hier dood.
En boze stukken staan in boze kranten
en dat doen boze mannen voor hun brood.

Een bos is hier alleen maar een boel bomen
en de soldaten zijn niet meer van tin.
Dit is het lang waar grote mensen wonen…
Wees maar niet bang. Je hoeft er nog niet in.

Prinsesje Annabel

Er was eens een prinsesje en ze heette Annabel;
nu moetje heel goed luisteren, naar wat ikje vertel:
Ze had twee blonde vlechtjes en een kroon van diamant
en ‘s avonds ging ze slapen in haar gouden ledikant,
de koning en de koningin vertelden dan verhaaltjes,
ze werd in slaap gezongen door twee witte nachtegaaltjes,
en meestal was ze lief en zoet, en ieder die haar zag,
hield heel verschrik’lijk veel van haar… maar niet op zaterdag,
want telkens, iedere week opnieuw, op zaterdag, let wel,
dan was ze boos en prikkelbaar, die kleine Annabel,
dan sloeg ze alles kort en klein, dan ging ze aan het schreeuwen
en maakte net zoveel kabaal als zesentwintig leeuwen!

De koning en de koningin die zeiden op een keer:
Nu moeten we er iets aan doen, nu gaat het heus niet meer!
Ze heeft wéér zes lakeien in hun grote teen gebeten!
We zullen vragen of Merijn, de tovenaar, komt eten!

De tovenaar Merijn, dat was een grote tovenaar,
hij zou ‘t prinsesje wel genezen van haar boosheid, reken maar!
Daar kwam hij dan, op zaterdag, daar stond hij op de stop,
ze gingen prompt aan tafel, bij de vermicellisoep.
Wel, zei de tovenaar Merijn, hoe maakt u het, prinses?
Hoe gaat het met de aardrijkskunde? En pianoles?

‘t Prinsesje keek hem even aan. Ze nam haar lepel beet
en smeet hem met de soep naar ‘t hoofd. De soep was gloeiend heet!
Die arme tovenaar! Zijn haar zat vol met vermicel.
Zo’n kribbekat, zo’n akelige, stoute Annabel!

De koning en de koningin, met tranen in hun ogen,
probeerden om de tovenaar voorzichtig af te drogen.
U ziet het zelf! zo zeiden ze, het is weer zaterdag!
Dan is ze toch zo prikkelbaar, ons dochtertje, ach, ach!
Wat prikkelbaar! zo bulderde de tovenaar Merijn,
ik zal dat snertkind wel eens leren, prikkelbaar te zijn!
Hij zwaaide met zijn toverstaf, en toen opeens, jawel

daar zat een heel klein egeltje, in plaats van Annabel.
De tovenaar verdween door ‘t raam, datzelfde ogenblik,
de koning en de koningin, die gilden van de schrik,
ze huilden en hun tranen vielen in de gouden borden,
nu was hun kleine Annabel een egeltje geworden!

Een egel vol met stekeltjes, wie had dat ooit gedacht,
maar net als and’re avonden werd zij naar bed gebracht,
de koning en de koningin vertelden haar verhaaltjes
en net als anders zaten daar de witte nachtegaaltjes…

Wat deed de tovenaar Merijn? Hij ging naar zijn kasteel,
hij kroop in ‘t bad, hij nam een boender met een lange steel,
en waste al de vermicellislierten van zijn hoofd,
en gek, toen hij weer schoon was, was zijn woede ook gedoofd!
Ik ben wel heel erg hard geweest, zo dacht hij bij zichzelf,
kan ik er nu nog wat aan doen? Het is al kwart voor elf!

Hij deed zijn grote vleugels aan, en zo, dat niemand ‘t zag,
vloog hij terug en kwam bij ‘t raam, waar ‘t egelkindje lag.
En ‘s morgens vroeg, wie lag daar in haar gouden ledikant,
met kleine blonde vlechtjes en een kroon van diamant?
Dat was geen egelkindje, maar ‘t prinsesje Annabel,
de koning en de koningin, die zeiden: Wel, wel, wel!!!!!

En ‘t mooiste is: ‘t prinsesje is nu altijd even lief.
En zaterdags? Dan ook. Wat zeg je daarvan? Alsjeblief!

Belangrijk

Het is maar goed dat we ons zelf belangrijk vinden.
Als het eens niet zo was, waar moest het dan wel heen!
Och och, we hoeven en geen doekjes om te winden:
dan stortte werkelijk de maatschappij ineen.

Want stel u voor dat we onszelf ineens eens zagen
zoals de anderen ons zien. Hoe zou dat zijn?
Dat was afschuwelijk! Dat was niet om te dragen!
We wierpen ons waarschijnlijk voor de dieseltrein.

Ofwel, we zouden ons in ‘t kolenhok verschuilen.
Geen mens zou ooit nog meer geloven in zijn werk.
Meneer hiernaast zou in de gaan gaan zitten huilen:
‘Ik ben een vlerk… ik ben een nietsnut en een vlerk…’

En al de grote directuren van bedrijven
gingen beschaamd en heel verdrietig naar hun bed;
ook de politici… ze zouden binnen blijven,
de ambtenaren kropen achter het buffet.

Geen enk’le spreker zou nog één keer durven spreken,
geen enk’le chef zou ooit een chef meer durven zijn,
geen enk’le predikant zou ooit meer kunnen preken,
de boel lag stil, volledig stil op elk terrein.

Gelukkig zijn we niet op die manier ontluisterd.
Wat is het eigenlijk toch prachtig ingericht,
dat de natuur ons stuk voor stuk heeft
ingefluisterd:
vergeet het niet, je ben een mens van groot
gewicht.