Rommelkamer

Wie hier toch woont, die moest zich schamen.
Zijn onderbroek hangt aan de lamp,
een schoolbok slingert langs de ramen,
zijn stoel vol spullen is een ramp.
Zijn regenjas ligt op de schommel,
over de wekker hangt een pet,
zijn hemd ligt in de koekjestrommel,
een hagedis ligt in zijn bed.
Zijn grote sokken langs de muren
verspreiden een onfrisse geur
tot in de huizen van de buren,
zijn broek hangt doelloos aan de deur.
Wie hier toch woont, die moest zich schamen,
niet soms, maar ieder ogenblik.
Wie woont er dan? Ik noem geen namen.
Wie woont er dan? Nou ja. Dus ik.

Dwaze droom

Ik droomde toch vannacht zo dwaas.
Ik stond voor onze klas,
Die vol met juffen en meesters was
En ik? Ik was de baas.

Ik ga ze honderd boeken op
Voor morgen. ‘t Was verplicht.
Ze moesten lezen zonder licht
En staande op hun kop.

De schoolreis ging naar Canada
Want zwemmen is gezond.
En iemand met een grote mond
Die bleef tot tien uur na.

Wat is er roder, groen of blauw?
Ik zei: ‘Wie dat niet weet,
Die grijp ik aan zijn oren beet
En hang ik aan een touw.’

De juffrouw huilde traan na traan.
Ik prikte met mijn stok.
En toen ik ‘s morgens wakker schrok,
Toen was ik zeer voldaan.

Ziek

‘Ik kan vandaag niet naar school,’
zei kleine Annetje Van Pool.
‘Ik heb de mazelen en de bof
paarse bulten en mijn hoofd zit vol stof
mijn mond is te nat en mijn keel is te droog
en ik word blind aan mijn rechteroog
mijn ene amandel is zo groot als een kei
als het gaat regenen steekt mijn zij
ik heb al zestien waterpokken gezien
en daar nog eentje, dat is zeventien
ik trek met mijn been en mijn ogen zijn blauw
ik lijd aan een acute kou
ik hoest en ik nies en ik schraap en ik kuch
ik heb geloof ik een breuk in mijn rug
mijn heup doet zo’n pijn als ik knijp in mijn kuit
mijn navel zakt steeds dieper weg in mijn buik
mijn blindedarm ziet geen steek
mijn nek is stijf mijn ruggengraat is week
mijn neus is koud mijn tenen staan schuin
ik heb een splinter in mijn duim
ik heb de rode en de groene hond
mijn haar valt bij bosjes uit op de grond
mijn elleboog is krom de koorts is gestegen
ik heb nu al achtenveertig negen
mijn hersenen krimpen ik ben doof aan een oor
en mijn rechterarm trilt aldoor
ik heb een dwangnagel en mijn hart is… wat?
Wat is dat? Wat is het voor een dag?
Zaterdag… is het vandaag zaterdag?
Dan ga ik lekker buiten spelen. Dag!’