Vader

vader kocht ooit
een verzameld werk:
een bundel gedichten
van degelijk merk.

bij wat hij mooi vond
zette hij strepen
een enkele keer
een uitroepteken.

bij tijd en wijle
herlees ik die
zeer summiere
biografie:

in een code
van strepen en stippen
steeg het water
hem naar de lippen.

Mijn vriendje David

‘k Heb in de vakantie een vriend gehad,
daar ging ik haast elke dag mee op pad,
en we leenden elkaar onze boeken.
En ‘s morgensvroeg werd ik wakker van
steeds datzelfde heerlijke plan
om die vriend weer op te gaan zoeken.

Zo zijn al die dagen voorbijgegaan,
en toen brak de laatste ochtend aan
dat wij elkaar nog zagen.
Nou ja. Gewoon. De vakantie was om.
En wij vergaten, zo stom, zo stom,
elkaars adres te vragen.

Soms, in mijn bed, met mijn ogen dicht,
lig ik te proberen of ik zijn gezicht
kan vinden in mijn gedachten.
Het lukt me nooit. Maar vandaag in de klas
wist ik plotseling weer precies hoe hij was,
precies hoe hij praatte en lachte.

Dat zal ik onthouden, nog heel erg lang.
Hoop ik tenminste. Want soms ben ik bang
dat ik na een heleboel jaren
hem tegen zal komen, en hij stelt zich voor,
en ik stel me voor.
En we hebben niet door
dat wij die twee vrienden waren.

Mijn broertje

Ik heb een klein broertje met wit haar
en een grote snottebel,
ik heb een klein broertje van twee jaar,
en ‘t is een leuk ventje, dat wel.

Als ie stout is krijgt-ie weinig straf,
want hij is ook nog zo klein.
Met mij loop dat wel anders af:
ik moet verstandig zijn.

Hij begrijpt er nog zo weinig van
wanneer ik hem vertel,
datie niet met mijn speelgoed spelen kan,
maar ‘t is een leuk ventje, dat wel.

Hij maakt wel ‘es dingen van me stuk,
en dat is niet zo fijn.
Maar het is ook nog zo’n kleine puk,
en ik moet verstandig zijn.

Hij zit aan mijn meccanodoos
en aan mijn voetbalspel,
en soms is het wel erg hopeloos,
maar ‘t is een leuk ventje, dat wel.
Dat wel.