Soms, een enkele keer

Soms, een enkele keer,
met heel veel moeite en voornamelijk toevallig
lukt het iemand
om met beide armen zijn verdriet te omvatten.
Hij tilt het op.
Laat de deur niet op slot zijn, nu…
Hij duwt hem open met zijn knie
en loopt met grote breedsporige passen naar buiten.
Kijk uit! roept hij
want het verdriet is zo groot dat hij er niet overheen kan kijken
en doorzichtig is het nooit.
Ver weg, in een sloot of op een drassige plek
onder populieren
of achter een sche schutting tussen oude autobanden,
speelgoed, resten van een vuur,
gooit hij het neer

en fluitend loopt hij terug naar huis.

Een man wilde over liefde spreken…

Een man wilde over liefde spreken.
‘Nee…! Niet over liefde…!’ riep iedereen
en iedereen ging weg of sloeg hem neer,
en de dood keek door een raam:
‘Over liefde…? Belachelijk…!’

Die man trok vleugels aan,
gelijk die van een lijster,
maar groter en radelozer,
en weg vloog hij en zong over de liefde
en de liefde zong over hem, ruiste over hem -

nooit zo verdrietig ging slapen een man
op de achteloze aarde.

Dat ben ik, die jongen…

Dat ben ik, die jongen,
in een grijze plus-four op een Franse fiets
op weg naar de duinen, met kortgeknipt haar
en pratend met mijzelf.
Dat is een leeuwerik, en dat zijn boterbloemen.
Ik heb het warm.
Ik weet niet goed of ik wel weet wat ik daar zoeken moet.

Het wordt al laat,
ik ben in een sloot gereden, mijn ketting brak.
Ernstig loop ik met mijn fiets naar huis.
Ik kon er niets aan doen.

Ik wil die jongen strelen als ik thuiskom,
mijn handen in mijn natte, zwarte haar,
mijn lippen op mijn stijf gesloten mond.
Maar ik ben schuwer dan ik dacht
en weet niet wie ik ben.
Ik loop voor mijzelf weg en verdwijn door een deur.
Ik zie die jongen niet meer terug.

Nee

Nee was een klein woord,
een onbeduidend woord.

Het luisterde naar de grote woorden:
Ja en Wij en Altijd.

Het bestudeerde de kruimels van hun gedachten,
die zij van hun tafel lieten vallen.

Het was geen dom woord.

Op een dag kroop het naar de keuken,
klom op het aanrecht,
greep een mes
en at het op.
(Woorden kunnen dingen eten.)

Het was nog steeds een klein woord,
maar geen onbeduidend woord – dat nooit meer -

en het ging terug naar de kamer,
zat onder de tafel
en luisterde.

Ik schreef eens

Ik schreef eens op papier van lucht
en alles wat ik schreef was lucht, en alles wat ik dacht,
en toen ik naar buiten keek zag ik een kraai van lucht
boven een bloeiende appelboom in het zonlicht
naast een schutting,
en ik hoorde iets scheuren in de verte,
er werd moedwillig iets verscheurd
ver weg,
nu is het mijn beurt, hoorde ik zeggen,
een pen die krassend
sprak.

Voor een raam

Ik sta voor een raam.
Ik zie woorden komen.

Sommige woorden herken ik:
ofschoon, rood, alvorens,
niettegenstaande in zijn wapperende jas,
waarachtigheid, onvolkomen…

Sommige klimmen op elkaars schouders.
‘Wie ben jij?’ roepen ze.
‘Bewolkt,’ roep ik.
‘Zwaar of half?’ vragen ze.
‘Licht,’ zeg ik. ‘Licht bewolkt.’

Ik sla mijn ogen neer.
Ik wou dat ik glinsterend was
of enigszins
of liever nog: desalniettemin.

Het begint te regenen.
Ofschoon kijkt omhoog, haar wangen worden nat.
Wijd en zijd hollen weg.

Duisternis valt.

Kom terug

‘Kom terug.’
Als ik die woorden eens zo zacht kon zeggen
dat niemand ze kon horen, dat niemand zelfs kon denken
dat ik ze dacht…

en als iemand dan terug zou zeggen
of desnoods alleen maar terug zou denken,
op een ochtend:
‘Ja.’

Het bezoek

Op een dag was het zover.
Ik besloot haar eindelijk eens op te zoeken.
Haar gieren deden mij peinzend open.
Haar honden gingen mij voor naar haar vertrekken,
de sporen van hun tanden in mijn been.
Haar slangen schonken mij een kopje thee in,
met een wolkje melk, en roerden het om met hun tongen.
Haar slakken likten mijn mondhoeken school.
Zij was er niet, zij was zojuist vertrokken,
zei haar hyena, huilend in mijn nek.
En zij komt nooit meer terug,
zei haar spin, de aanzet tot een web
reeds strak gespannen om mij heen.

De geur van een roos

Eens
snoof ik de geur van een roos
zo diep in mij op
dat ik achteroverviel en bedierf.
Mensen snelden toe om die geur te redden,
met tangen en pincetten, in wapperende hemden,
porden in mij,
vonden de geur van een rode roos
ach!
grepen hem,
borgen hem op
en gingen heen.
De lucht was leeg, de grond was kaal.
Een nieuwe dag brak doodsbleek aan.